- Home - Nieuws - Vacatures - Contact
Pedagogische beleid

Het pedagogisch beleid is in de eerste plaats geschreven voor de leidsters en ouders van kinderdagverblijf Bert en Ernie. Het geeft inzicht in het handelen van de leidsters naar de kinderen en we leggen uit waarom wij denken dat deze manier van handelen voor ons en het kind de meest juiste is. Wij zijn ons zeer bewust dat iedere situatie en ieder kind verschillend zijn, daarom is dit pedagogisch beleid zeker geen strak "regime", maar moet gezien worden als een handleiding, een rode draad voor ons handelen en een uitleg hierover. Ons belangrijkste punt is hierbij uit te gaan van het kind.

1. Creëren van ontwikkelingsmogelijkheden
In de eerste vier jaar van het leven ontwikkelt een kind zich van hulpeloze baby tot een peuter en schoolkind. Een kind dat, als de ontwikkeling voorspoedig verlopen is, met zelfvertrouwen de wereld tegemoet treedt en zich aardig kan redden. De eerste jaren worden algemeen beschouwd als een cruciale periode voor de ontwikkeling van het kind op velerlei gebied.

De ontwikkeling van kinderen verloopt niet bij elk kind op dezelfde wijze. Ieder kind heeft een eigen tempo en kent bepaalde gebieden waarop het zich meer of minder ontwikkelt. Ieder kind heeft ook een groot potentieel aan mogelijkheden in zich. De situatie waarin het kind opgroeit en de mensen die het kind omringen spelen een belangrijke rol in de manier waarop die mogelijkheden worden gerealiseerd en in welk tempo dat het gebeurt. De kinderopvang levert hieraan een belangrijke bijdrage.

Het signaleren van ontwikkelingsproblemen is een belangrijke functie van het dagverblijf. De situatie in het dagverblijf is er op gericht om kinderen in een veilige en prettige omgeving de dag te laten doorbrengen. Hierbij wordt zowel in groepsverband als individueel bewust aangesloten op de ontwikkelingsfase waarin het kind zich bevindt.

In de ontwikkeling van de kinderen vallen de navolgende deelgebieden te onderscheiden:
  1. lichamelijke ontwikkeling
  2. sociale ontwikkeling
  3. emotionele ontwikkeling
  4. cognitieve ontwikkeling
  5. creatieve ontwikkeling
  6. ontwikkeling identiteit en zelfredzaamheid

1.1. Lichamelijke ontwikkeling
In de leeftijd van 0 tot 4 jaar maken kinderen een grote ontwikkeling door in de motorische vaardigheden. De coördinatie en samen bewegen van romp, armen en benen heet de grove motoriek. De grove motoriek wordt gestimuleerd door materialen als het dans- en bewegingsspel. Kleine kinderen hebben veel belangstelling voor herhaling, de peuter voelt vooral. In het dagverblijf zijn uitdagende spelmogelijkheden. Het kind moeten kunnen klauteren, glijden en springen waardoor het de eigen mogelijkheden leert kennen. Het kind leert onder meer omgaan met hoogteverschillen en gevaar. Er zijn fietsen , loopauto’s , glijbaan en ballen aanwezig waarmee gespeeld kan worden om de motoriek te stimuleren. De fijne motoriek omvat kleine bewegingen die coördinatie tussen ogen en handen vereisen. Het kind gaat naar voorwerpen grijpen , pakken , en iets in de mond te stoppen. De fijne motoriek ontstaat onder meer in het fysieke contact met de leidster en wordt gestimuleerd door te knutselen met kleurtjes ,verf , plak , klei ook zijn er spellen zoals puzzels ,domino en memmory. Bij baby's wordt dat gestimuleerd door rammelaars , babygym en door het doen van spelletjes met speelgoed vastpakken en geluiden.

1.2. Sociale ontwikkeling
Belangrijk aspect van de sociale ontwikkeling is de ervaring hoe het is om samen te zijn met andere kinderen en volwassenen. Door het omgaan met leeftijdgenootjes en leidsters, leert het kind de uitwerking van zijn gedrag op anderen kennen. Hierdoor leert het kind inzicht te krijgen in zijn eigen gevoelens en leert andere reactie-mogelijkheden. Tevens leert het kind al vroeg de betekenis van delen: samen fruit eten door het bord rond te laten gaan zodat iedereen om de beurt een partje mag pakken , samen speelgoed delen. Troosten: een kind dat zich bezeert heeft of verdrietig is zal getroost moeten worden door de leidster of in samenwerking met de andere kinderen. Helpen: dit is met het opruimen of een ander kind helpen met iets,ook kunnen de kinderen de leidster soms helpen met het halen van spullen. Rekening houden met anderen: Wij hebben verticale groepen van 0 tot 4 jaar waarbij de oudere kinderen rekening houden met de jongere kinderen. Omgaan met conflicten: kinderen kunnen het ook wel eens niet eens zijn met elkaar, dit wordt door de leidster dan samen met de kinderen opgelost door te praten met de kinderen en soms degene die niet tot rede vatbaar is tijdelijk apart te nemen.


1.3 Sociaal emotionele veiligheid
Wij werken met vaste leidsters op de groepen waardoor het vertrouwde omgeving is voor de kinderen. Bij vervanging van het vaste personeel zijn er oproepkrachten die bekend zijn bij de kinderen. Bij plaatsing van een kind mag er eerst proefgedraaid worden om te wennen. Dit is een ochtend of middag. De kinderen zitten in een vaste groep maar bij activiteiten kan het gebeuren dat ze tijdelijk naar een andere groep gaan waar zij dan met leeftijd genootjes samen spelen. Mochten er broertjes en/of zusjes op het kinderdagverblijf komen dan kunnen deze omdat het verticale groepen zijn , indien er plaats is in de groep , bij elkaar geplaatst worden. Er is een vast dagritme en door de dagritme kaarten kan een kind zien wat er die dag gedaan wordt. Soms is er een leidster die en activiteit gaat doen waarbij alleen de grotere kinderen mee mogen spelen ,dan is er de keus aan de kinderen om hier aan mee te doen. Ook kunnen de kinderen zelf kiezen met welk speelgoed ze willen spelen. Er is bewust zo gekozen voor het speelgoed zodat er voor iedereen wel wat is.

1.4 Emotionele ontwikkeling
Het waarnemen en het serieus nemen van gevoelens van de kinderen is belangrijk. Soms is het nodig dat een leidster een bepaald gedrag verbiedt, echter de gevoelens van het kind moet ze accepteren. De leidster probeert de gevoelens van de kinderen, zoals blijdschap, woede, verdriet, angst en onverschilligheid te verwoorden. Zo leert het kind om te gaan met zijn gevoelens, herkent gevoelens van andere kinderen en leert hiermee om te gaan. Als een kind gestraft wordt omdat het niet luistert naar de leiding of andere kinderen plaagt , wordt deze op een stoel gezet en zo ontrokken aan de activiteit of spel totdat het kind weer aangeeft dat hij of zij het niet meer doet. De kinderen kunnen hun verhaal kwijt bij de leidsters over de gebeurtenissen die plaats hebben gevonden in de dagen dat ze niet op het kinderdagverblijf waren. Dit kunnen leuke maar ook nare gebeurtenissen zijn. Bij nare gebeurtenissen horen wij dit graag van de ouders zodat wij hierop in kunnen spelen. Kleine kinderen uiten veel van hun gevoelens door spel. De leiding speelt hierop in en stimuleert dit door bijvoorbeeld fantasie- en rollenspelen. Bij "Bert en Ernie" is hiervoor materiaal aanwezig zoals poppen , keukentjes , lego/duplo en verkleedkleren.

1.5 Cognitieve ontwikkeling
De cognitieve ontwikkeling heeft betrekking op de ontwikkeling van taal (begrijpen en spreken) en denken: begrip en inzicht verwerven door de informatie uit de omgeving te ordenen, te onthouden, toe te passen en te combineren met nieuwe situaties. Taal en denken zijn nauw met elkaar verbonden. Taal is een belangrijk middel om inzicht te krijgen in de omringende wereld. Een kind vraagt en krijgt in taal uitleg en hulp. De leidster speelt hierin een actieve rol door veel tegen het kind te praten. Zoveel mogelijk wordt op elke taaluitdrukking van het kind gereageerd; van de eerste klanken die de baby maakt tot de vragen en verhalen van de peuter. Er wordt door de leidster geen brabbeltaal gesproken of nagepraat. Ter stimulering van de taalontwikkeling organiseert de leidster verschillende activiteiten, zoals samen zingen, taalspelletjes en spelletjes met klanken en geluiden en voorlezen. Spelen en bezig zijn is leren voor het kind. Het kind leert onder meer door voorbeeld en nabootsing. Door allerlei dagelijkse gebeurtenissen te bespreken, ontstaat ordening om de wereld van het kind. De leidster legt daarbij uit, benoemt de dingen en nodigt de kinderen uit om zelf te verwoorden. Regelmatig doet de leidster een beroep op het vermogen van kinderen om zelf oplossingen te zoeken voor problemen. In het dagverblijf wordt veelzijdig materiaal aangeboden waardoor kinderen bezig kunnen zijn met kleuren, vormen en seizoenen.

1.6. Creatieve ontwikkeling
De leidster stimuleert de creatieve ontwikkeling door het aanbieden van allerlei soorten materialen (water, zand, verf, klei, verkleedkleren en schmink) en activiteiten (muziek en dans) Voor het kleine kind is het omgaan met materialen een onderzoekende bezigheid. Het leert er de mogelijkheden en de eigenschappen van kennen waarbij het resultaat nog niet belangrijk is. Creatief zijn kan op vele manieren, bijvoorbeeld door te vertellen en door fantasie- constructie spelen zoals verkleedpartijen. Het is belangrijk kinderen hierbij gewaardeerd worden en zoveel mogelijk de ruimte krijgen voor hun eigen inbreng.

1.7. Ontwikkeling identiteit en zelfredzaamheid
Geleidelijk aan wordt het kind zich er van bewust dat het een persoon is, die verschilt van ieder ander. Door het kind positief te benaderen bevordert de leidster het zelfvertrouwen van het kind. Er wordt aandacht besteed aan de persoonlijke verhalen en het kind wordt gestimuleerd zich te uiten en eigen keuzes te maken. De leidster waardeert onderlinge verschillen tussen de kinderen in bijvoorbeeld voorkeur voor activiteiten, tempo en spontaniteit. Daarnaast stimuleert de leidster het identiteitsbesef ook door bijvoorbeeld regelmatig opnoemen van namen en achternamen of door te geven van eigen plekjes of spullen.

De leidster moedigt het kind aan tot zelfstandigheid en zelfredzaamheid. Dat wat het kind kan proberen mag het in principe ook zelf doen zoals eten , naar de wc gaan , pantoffels en jas zelf aandoen. De leidster zorgt er wel voor dat het kind niet teveel mislukkingen ervaart. De leidster geeft de kinderen af en toe opdrachten en taken, bijvoorbeeld het opruimen van speelgoed. De opdrachten worden voor het kind duidelijk en overzichtelijk gehouden.

2. Overbrengen van waarden en normen
Het overbrengen van waarden en normen speelt in de opvoeding van de kinderen voortdurend een rol. Waarden geven uitdrukking aan de betekenis die mensen hechten aan bepaalde gedragingen, dingen of gebeurtenissen. Het zijn ideeën of opvattingen die aangeven hoe belangrijk mensen iets vinden. Waarden zijn onmiskenbaar cultuurgebonden; ze veranderen in de loop van de tijd en variëren van samenleving tot samenleving. Normen vertalen de waarden in regels en voorschriften hoe volwassen en kinderen zich behoren te gedragen. De waarde is respect hebben voor elkaar. De norm is dat lijfelijke agressie niet wordt toegestaan.

Een kind wordt gevormd door de omgang met volwassenen en andere kinderen. De omgang tussen volwassenen en kinderen heeft in de opvang een andere dimensie dan thuis. De leidster is in eerste instantie beroepsmatig bij de kinderen betrokken. De leidster onderhoudt contact met alle kinderen uit de groep. Daarnaast is er de omgang van de leidster met de groep als geheel. Op beide niveaus is sprake van een voortdurende uitwisseling van waarden en normen in communicatie en interactie. In een groep kinderen is er sprake van een continu proces. Dit vindt voor een gedeelte bewust en onbewust plaats. Tussen de kinderen onderling speelt voortdurend wat hoort en niet hoort.

Door middel van taal vindt er onderling een (gedeeltelijke) bewuste uitwisseling plaats van waarde en normen. Daarnaast speelt het non-verbaal uitwisselen en overbrengen een grote rol in de communicatie. Hier wordt zo zorgvuldig mogelijk mee omgegaan. Bij ons is respect voor de oudere van belang. Zodat er geen grote mond van de kinderen getolereerd wordt en dat de kinderen elkaar niet plagen of pesten.







Site build by HQ-webdevelopment